Hervorming van de werkloosheidsregeling voor kunstenaars, technici en andere ‘kunstwerkers’

België

Lees hier het Hervormingsvoorstel van de regering

De hervorming die momenteel op tafel ligt, zorgt voor veel ongerustheid.

Smart heeft bewust niet deelgenomen aan de debatten die nu bijna twee jaar over het onderwerp lopen. Er vormden zich federaties en andere vertegenwoordigingsorganisaties die er samen hun schouders onder zetten en de debatten hebben aangevoerd, en het leek ons noodzakelijk dat de mensen op het terrein zelf de touwtjes in handen namen om hun belangen te verdedigen. Vandaag blijkt dat sommigen onder jullie zich dan toch uitgesloten voelen van de debatten, niet begrijpen wat de doelstellingen van het hervormingsvoorstel zijn of zich gewoon vragen stellen over de toekomst.

We hebben het voorstel aandachtig gelezen. Het werd uitgewerkt door een ‘technische werkgroep’ (WITA) bestaande uit verschillende stakeholders, waaronder ook de regering, en wordt dan ook voorgesteld als het resultaat van een lang overlegproces. Net als jullie hebben we zo onze twijfels.

Deze tekst is vrij lang en niet altijd eenvoudig, maar het onderwerp is te belangrijk en te complex om er zomaar aan voorbij te gaan.

Update 19 juli 2021: Verschillende vakbonden en verenigingen, waaronder Smart, ondertekenden samen een persbericht voor de Franstalige pers (hier en hier) dat de fasering van de hervorming en het hervormingsvoorstel van WITA zelf in vraag stelt.

Context

Waar gaat het over?

  • De sociale zekerheid van werknemers, en meer in het bijzonder de tak ‘werkloosheid’.
  • De solidaire en interprofessionele (intersectorale) financiering van die sociale zekerheid, door werknemers en werkgevers (via de socialezekerheidsbijdragen), maar ook door de staat, via alternatieve financieringsvormen (zoals de btw, de accijnzen, de personen- en vennootschapsbelasting).
  • De bijzondere regels over het recht op een werkloosheidsuitkering en de bescherming tegen de degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen voor werkers met specifieke arbeidsomstandigheden.
  • De sociale zekerheid, sociale rechten en het arbeidsrecht die fundamentele elementen zijn van het burgerschap van miljoenen mensen, maar onder ideologische en communautaire druk staan.

Als we snel resultaten willen zien in de hervorming, kunnen de huidige debatten slechts een beperkte reikwijdte hebben. Maar dat mag ons niet tegenhouden te ijveren voor diepgaandere hervormingen op de middellange en lange termijn. Met deze hervorming zullen we de basisprincipes en -wetten van de sociale zekerheid en het arbeidsrecht immers niet overhoopgooien (wat gezien de machtsverhoudingen in onze maatschappij ook niet wenselijk is), zullen we niet overschakelen van een liberale concurrentiemaatschappij (of ‘vrije markt’) naar een solidaire, gelijkwaardige samenleving die steunt op het principe “van ieder naar vermogen, aan ieder naar behoefte”, zal er geen ‘universeel basisinkomen’ zijn enz.

Het ‘kunstenaarsstatuut’[1] is sinds 2002 perfect gedefinieerd: hoewel ze geen loontrekkenden zijn met een arbeidsovereenkomst, zijn ze toch onderworpen aan het algemene stelsel van de sociale zekerheid en zijn ze loontrekkenden zoals de anderen, binnen de perimeter van het sociaal recht: de ‘opdrachtgever’[2] is gelijkgesteld met de werkgever. ‘Gelijkgesteld’ betekent dat hij zich aan dezelfde sociale verplichtingen houdt, zonder werkgever te zijn in de zin van de arbeidsovereenkomst en het arbeidsrecht. Kortom, hoewel niet iedereen met een arbeidsovereenkomst werkt (beeldend kunstenaars, auteurs enz.), zijn ze toch loontrekkend. Een arbeidsovereenkomst is enkel verplicht op voorwaarde dat de werknemer ondergeschikt is aan de werkgever. Is die ondergeschiktheid er niet, dan is een arbeidsovereenkomst dus niet verplicht. Toch mogen de werknemer en opdrachtgever vrij kiezen voor een ondergeschikte werkrelatie, maar niets kan hen daartoe dwingen.
Tot 2014 bestond er overigens nog een specifieke werkloosheidsregeling die vooral gebaseerd is op twee artikels van de ‘werkloosheidsbesluiten’:

  • het eerste dat (uitsluitend) voor podiumkunstenaars de ‘cachetregel’ bepaalde,
  • en het tweede dat de degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen neutraliseerde voor alle werkers die hun beroep uitoefenden met contracten van korte duur (dit artikel was niet van toepassing voor de horecasector, waarvoor andere maatregelen gelden). Dit tweede artikel was van toepassing voor iedereen en niet enkel voor kunstenaars. De RVA wilde het echter enkel voor de podiumkunstenaars laten toepassen. Meer dan 200 personen die met contracten van korte duur werken (verdedigd door Smart, de vakbonden, enz.) zonder ‘podiumkunstenaar’ te zijn en die de toepassing van de maatregel aanklagen, spanden echter een proces aan. De RVA verloor en de regering ging in 2014 over tot een hervorming van de werkloosheidsregeling zoals we ze vandaag kennen.

Zowel voor als na de hervorming van 2014 verbreedt de rechtspraak jaarlijks de reikwijdte van de beroepen en praktijken die beschouwd worden als ‘het scheppen, uitvoeren of vertolken van een kunstwerk’. Zo won een grafisch ontwerper die visuals ontwerpt om T-shirts te bedrukken zijn proces tegen de Commissie Kunstenaars, die weigerde hem een ‘kunstenaarsvisum’ toe te kennen. Ook een productieassistente liet bijvoorbeeld haar beroep nog maar eens door de rechtbank erkennen als uitvoering van een kunstwerk.

Terug naar jullie arbeidsomstandigheden

Wat zien we op het terrein?

  • Er zijn veel verschillende beroepen die deel uitmaken van de productie, vertolking en/of uitvoering van een kunstwerk. Alleen zijn niet al die beroepen ‘artistiek’ in de algemene, sociologische zin van het woord, waar trouwens niemand het echt over eens is;
  • De werkrelaties zijn al even uiteenlopend: er wordt soms gewerkt met een contract van onbepaalde of bepaalde duur, soms met een arbeidsovereenkomst waarbij werkers ‘werktijd’ ter beschikking stellen van hun werkgever of een overeenkomst die niet noodzakelijk aanleiding geeft tot een vorm van gezag over de werker. Of nog: werkers worden vergoed per uur of per dag, met een forfaitair bedrag of per stuk enz.;
  • In bepaalde sectoren zijn de praktijken nog diverser: nu eens betaalt men een loon, dan weer koopt men een werk, er wordt een voorschot op de auteursrechten overgeschreven, er wordt werk tentoongesteld zonder dat de beeldhouwer ook maar één cent ziet enz. 95 % van de werkers heeft geen enkele marktmacht of onderhandelingsmarge: de voorgestelde prijs – als er al één is – is te nemen of te laten;
  • De projectmatige manier van werken vormt het gemeenschappelijke kenmerk voor zowel de artistieke als de niet-artistieke sector. Bijvoorbeeld ook in het onderwijs en bij coaching wordt gewerkt volgens de praktijken in de creatieve sector zonder dat er sprake is van de vertolking of uitvoering van een kunstwerk;
  • De hervorming van 2014 schiet niet alleen tekort, maar leidde ook tot een gigantische administratieve rompslomp voor werkers;
  • Niemand weet nog echt wat de regels zijn en de RVA houdt er een min of meer ‘freestyle’ interpretatie op na;
  • Door de controle op beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt wordt het vrijwel onmogelijk een duurzame professionele loopbaan op te bouwen omdat die in grote mate gebaseerd is op ‘onbetaald’ maar daarom niet minder professioneel werk, waardoor het dus vaak onmogelijk is om beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt;
  • Tal van werkers die niet in de artistieke of de culturele sector actief zijn, werken in gelijkaardige omstandigheden als scheppende kunstenaars en technici;
  •  … en de werkers hebben het moeilijk een gemeenschappelijk discours te vinden dat rekening houdt met de diversiteit van hun praktijken en situaties.
Wat kunnen we daaruit leren?
1. De sociale zekerheid moet gefinancierd worden in functie van de uitdagingen

Sociale vooruitgang moet gefinancierd worden en werkers moeten hun socialezekerheidsbijdragen en belastingen eerlijk betalen. Alleen moeten ook de talloze gebruikers van kunstwerken en prestaties massaal bijdragen aan die financiering als ze bijvoorbeeld geen werkgeversbijdragen betalen.
Neem nu het voorbeeld van de auteursrechten in de uitgeverijsector. Stel, ze zijn in bepaalde omstandigheden onderworpen aan de sociale zekerheid. Dan is de kans groot dat het werkgeversaandeel afgetrokken wordt van het eigenlijke bedrag van de auteursrechten (in de uitgeverijsector is dat doorgaans 8 % op de verkoop) in plaats van dat de uitgevers het extra zouden betalen. Om het aandeel rechten te garanderen, bestaat de enige mogelijkheid erin ze te reguleren door een minimumbedrag vast te leggen, en de uitgevers en andere gebruikers van de werken (en andere artistieke prestaties) een belasting op te leggen als rechtstreekse aanvulling van de sociale zekerheid. Een uiterst gedocumenteerd, becijferd en beargumenteerd voorstel in die zin bestaat al bijna 30 jaar en werd in het parlement besproken. Maar dan komen we in het vaarwater van de auteursrechtvennootschappen terecht …
In elk geval, zolang het heilige principe van de budgettaire neutraliteit in de sociale zekerheid (sinds 2017[3]) van kracht blijft en iedereen zonder bijdrage kan profiteren van de uitbuiting van werk, artistiek werk in het bijzonder, kunnen we alleen maar van sociale vooruitgang dromen.

2. Een vergelijkbare behandeling voor vergelijkbare situaties

Het zijn de objectieve elementen van werk, productie, werkrelaties, verloningsvormen en professionele loopbanen die de evolutie van het sociaal recht moeten bepalen: vergelijkbare situaties moeten op een vergelijkbare manier behandeld worden.
Tal van werkers in de creatieve en culturele sector, en uiteindelijk ook in andere sectoren, krijgen vandaag te maken met dezelfde arbeidsomstandigheden als kunstenaars en technici. Het loont de moeite om de arbeidsomstandigheden van kunstenaars in gedachten te houden met het oog op een mogelijke uitbreiding van de reflectie naar ander projectmatig werk, en om een model te kunnen ontwerpen dat niet alleen kunstenaars, maar alle projectmatige profielen in aanmerking neemt.
Die aanpak weegt voor een deel op tegen de nefaste effecten van elke poging om te definiëren wie of wat een kunstenaar, ‘kunstwerker’ of kunstwerk is … Dergelijke pogingen mislukken immers altijd of monden uit in frustraties op het terrein en bureaucratische rompslomp die zijn doel mist. En toch heeft die aanpak weinig zin, behalve als ze duidelijk wordt weergegeven als aanzet van een sociale vooruitgang voor iedereen die het nodig heeft. De ‘erkenning’ die je al dan niet graag zou krijgen van een samenleving verkrijg je immers niet door werkloosheid of via een of andere Commissie.

3. De Gemeenschappen en Gewesten moeten hun werk doen

Met de toekenning van subsidies of programmaovereenkomsten kunnen de Gemeenschappen en Gewesten ervoor zorgen dat gesubsidieerde actoren in de creatieve en culturele sectoren een fatsoenlijke vergoeding betalen aan kunstenaars, technici en andere administratieve medewerkers die ze tewerkstellen. De politici op die bevoegdheidsniveaus verwijzen voor het gemak naar “het statuut” en leiden zo de aandacht af van het feit dat ze niets geven om de vergoedingen en het werk in de instanties die ze subsidiëren en die hun cultureel beleid uitvoeren. Terwijl ze het net voor die specifieke kwestie voor het zeggen hebben! Van hypocrisie gesproken …
Als een overheidsdienst of door de overheid gesubsidieerde instantie bijvoorbeeld werk van een beeldend kunstenaar tentoonstelt, zou ze hem of haar eigenlijk voor minstens drie maanden werk moeten betalen, en dat is dan nog te weinig. Net zoals een concert niet alleen voor het concert zelf betaald moet worden, maar ook voor alle voorbereidingen en investeringen die eraan zijn voorafgegaan (materiaal, repetities, lokalen enz.).
Kortom, de overheid moet (ook) voldoende bijdragen tot de inkomsten van werkers zodat ze toegang kunnen krijgen tot de sociale rechten die hen beloofd worden. We mogen onze democratieën niet laten worden tot wat Sartre zich in 1968 liet ontvallen: “In een kapitalistische maatschappij is democratie een geheel van formele rechten en concrete ontkenningen”.

4. Privébedrijven moeten stoppen met het misbruiken van de economische afhankelijkheid van werkers. Het zijn immers producenten, vaak de belangrijkste, van goederen en diensten waar zij als bedrijf een beroep op doen.

Voor de privésector, waarover de gemeenschappen en gewesten geen zeggenschap hebben, zou het volstaan om over te gaan tot de uitbreiding en activering van het koninklijk besluit dat sinds midden 2020 van kracht is en het misbruik verbiedt van economische afhankelijkheid die kan leiden tot een vordering tot collectief herstel (“class action”). Omdat enkel de producenten, verdelers, uitgevers enz. beschikken over de middelen om werken te produceren en verdelen, moet hun exploitatie van die werken en artistieke prestaties (concertzalen, kunstgalerieën, uitgeverijen) aan een bepaald kader voldoen. Een concert met drie muzikanten en een geluidsingenieur (een ‘sleutel-op-de-deurproduct’ dat een grote investering heeft gevraagd en niet enkel ‘werktijd die ter beschikking werd gesteld van een werkgever’ voor de duur van het concert) mag niet meer voor 500 euro gekocht worden. Een geïllustreerd kinderboek, waar een auteur maar liefst zes maanden aan heeft gewerkt, mag niet meer worden opgenomen in de catalogus van een uitgeverij met 2.000 euro voorschot op toekomstige verkopen waar de auteur bovendien geen voordeel uithaalt. Een tentoonstelling in een galerie die zo haar marktpositie uitbreidt, mag niet meer georganiseerd worden zonder dat de beeldend kunstenaar die er meerdere maanden aan gewerkt heeft, vergoed wordt … onder het voorwendsel dat “het hem/haar zichtbaarheid geeft en hij/zij daar maar gewoon dankbaar voor moet zijn”.

5. De politiek moet zijn verantwoordelijkheid nemen in plaats van ze door te schuiven naar het terrein

Het is niet aan de werkers om wetsvoorstellen in te dienen. Zij moeten enkel op een objectieve manier uitleggen en illustreren onder welke omstandigheden ze werken, hoe hun dagelijks leven door reglementen en wetten wordt beïnvloed, hoe ze worden uitgesloten en vernederd door een blinde, misprijzende bureaucratie … De politici moeten dan op hun beurt wetsvoorstellen aanreiken (en geen amateuristische, verwarrende oriëntatienota [4]) als ze echt van plan zijn om ten gunste van iedereen te hervormen. Het is aan hen om die voorstellen te onderwerpen aan debat. Niet enkel voor de “vertegenwoordigers van de sector”, maar voor iedereen, met duiding en analyses door gespecialiseerde, onafhankelijke juristen en advocaten, en door degenen die al jaren op de bres staan voor de kunstenaars en technici.

Meer interessante lectuur over het onderwerp:

[1] en meer in het bijzonder het statuut van elke persoon die tegen betaling een prestatie levert of kunstwerk produceert, met dien verstande dat het gaat om elke vorm van “creatie, uitvoering of interpretatie van artistieke oeuvres in de audiovisuele en de beeldende kunsten, in de muziek, de literatuur, het spektakel, het theater en de choreografie”
[2] de natuurlijke persoon of rechtspersoon die het werk of de prestatie heeft besteld en de vergoeding betaalt
[3] Lees bijvoorbeeld deze Analyse van de financiering van de sociale zekerheid en de evolutie ervan. De noodzaak van een structurele en duurzame herfinanciering van de sociale zekerheid.
[4] We willen het nog wel eens zien dat een “Commissie” de 40 tot 80.000 dossiers van de ‘kunstwerkers’ behandelt … De MR telt er 40.000, volgens ons zijn het er 80.000, om maar te zeggen …

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *